Rosie Voghel groet de dag en slaat de buitendeur van haar appartement met een luide knal dicht. Het klinkt als het eerste kanonschot in de vroege ochtend op het slagveld van haar leven.
Zo begint de rollercoaster van bloedig geweld en psychisch lijden van een jong meisje, gemarineerd in een diep bad van verontrustende inzichten in de natuur van de mens en van de wereld, dat zoveel stof tot nadenken doet opwaaien dat wanneer de storm over is en het stof gaan liggen, de lezer ademloos achterblijft, starend in de zinkput van zijn bestaan.
Het is half twaalf ‘s nachts als in de keuken een eerste bord tegen een kastdeur stukslaat. Hij gooide het waarschijnlijk naar haar hoofd. Aan haar gekrijs te horen heeft hij gemist. Hij is dan ook stomdronken.
Rosie zit in kleermakerszit op haar bed. De kamer is donker op het flauwe licht van een lamp na. In dit halfduister bewegen haar kleine handen snel heen en weer. Insteken, omslaan, doorlaten, aflaten, insteken, omslaan, doorlaten, aflaten, insteken, omslaan, doorlaten, aflaten. In een eindeloze mantra prevelen haar lippen de woorden op het ritmische getik van de breinaalden terwijl in haar schoot een zwarte wollen sjaal langzaam vorm krijgt.
In de keuken gooit moeder terug. Het is de derde nacht op rij en hun munitie begint stilaan op te raken in het appartement dat het slagveld van hun relatie geworden is. Moeder is beter want het klinkt alsof ze hem vol raakt en hij op de grond tuimelt. Hij schreeuwt dat ze een vuile hoer is.
Rosie kijkt op van haar breiwerk. In haar geestesoog vliegt speeksel uit de wijd opengesperde mond van haar dronken vader die tracht recht te krabbelen. Dat is niet eenvoudig in een draaimolenwereld die wentelt en suist en pijn doet. De vuile hoer schopt op het moment dat zijn handen en knieën net een delicate balans lijken gevonden hebben. Ze schopt daar waar het pijn doet. Ze weet het exact en ze doet het met anatomische precisie. Het is geen eerlijk gevecht. Dat is het nooit tussen man en vrouw.
Een ontroerend, diepmenselijk verhaal over ouder worden, over wanhoop en hoop, over leven en overleven, over pijn in de geest en pijn in de gewrichten, en over het klemzitten van een klein bestaan in een knarsend tijdsgewricht.
"Silas kijkt rond zich waar alles wazige beweging is, een vertroebelde vaart van de volkeren met hem onberoerd in het midden. Hij kijkt omhoog. Doorheen een scheur in de wolken ziet hij een donkere hemel en een fonkeling van sterren. Een inzicht flitst door zijn hoofd als het navigatielicht van een vliegtuig hoog in die eenzame nacht.
Het ligt niet aan hem. Het is de wereld die niet meer geschikt is voor hem. Hij loopt tussen hen allen door, zijn lichaam weeft zijn eigen draad doorheen het weefsel van de stad doch is er geen verbinding, geen herkenning van het patroon, geen zicht op de richting die het uitgaat en die hij zou moeten volgen.
Het is zoals met zijn vrouw in Australië en de onoverbrugbare afstand tussen hen, niet in tijd en plaats, wel in hun hoofden. Zijn vrouw die hem niet meer ziet, die een ijlings bewegende stip is die meridianen doorkruist en langs parallellen wegglipt steeds verder weg van hem die achter de kromming van de aarde onzichtbaar en tenslotte vergeten achterblijft."
De bijna gepensioneerde Silas Vleughels beseft het nog niet maar hij is een man op de rand van de afgrond. Zijn vrouw is op wereldreis, zijn meubelzaak is failliet en hij klampt zich vast aan een baan als Technisch Medewerker Gebouwen in het psychiatrisch ziekenhuis Sint Thomas, waar de vele patiënten zijn hart en ziel dag na dag uiteenrafelen.
Hij is een moedige ridder met als enige wapens zijn trouwe ladder, zijn gedeukte gereedschapskist en zijn nuchtere verstand, vechtend tegen de onzichtbare monsters en verschrikkingen die Sint Thomas en zijn bewoners voortdurend belagen.
Maar de oude Silas voelt het gewicht der jaren in zijn schouders, handen en gedachten, ademloos de wereld achternajagend die steeds verder en verder van hem wegrent. Hoe lang nog kan hij de hoge muren van de instelling en van zijn geest ongeschonden houden?
Erik Heiser, geboren in 1969, woont in Sint-Niklaas. Hij is gehuwd en heeft een dochter. In 2014 won hij als enige Belg ooit de Paul Harlandprijs met zijn kortverhaal “Mevrouw Rosenbaum vecht tegen de duivel.” (verschenen in 2020 in de kortverhalenbundel “Harland Awards – winnende verhalen”), en in 2015 de Ward Ruyslinckprijs met “Schelpen”.
Olympus
Literaire roman
242 bladzijden
Rosie
Literaire roman
300 bladzijden
Waar te koop : in de boekhandel en op www.ambilicious.nl
Te verwachten :
Ira
Literaire roman